Meer verdieping op het gebied van geschiedenis? Kijk op NPOFocus.nl
↳ Enter om te zoeken
9 januari 2010

In opdracht van de regering - deel I

Srebrenica
Bekijk Video
26 min

Zwarte bladzijde

Het begint zo mooi. Om een einde te maken aan de voortdurende slachtpartijen tijdens de Joegoslavische burgeroorlog, stuurt Nederland in 1993 militairen naar het door de VN ingestelde ‘veilige gebied’ Srebrenica. Dutchbat moet de tienduizenden moslimbewoners beschermen tegen Servische agressie. Maar in juli 1995 kan Dutchbat niet voorkomen dat de enclave onder de voet wordt gelopen door Servische troepen. Bijna achtduizend moslimmannen worden vermoord. De grootste slachtpartij uit de burgeroorlog, waarbij Nederland ongewild betrokken raakt.

Jan Pronk is in 1995 minister van Ontwikkelingssamenwerking in het eerste kabinet Kok. Vlak na de tragedie reist hij naar Bosnië. In de vluchtelingenkampen ziet hij de vrouwen uit Srebrenica, wanhopig op zoek naar hun vermiste mannen. Voor de tv-camera’s reageert een zichtbaar geëmotioneerde Pronk: “Er zijn echt moordpartijen geweest. Het is genocide.”

Een paar maanden later velt de Kamer haar oordeel over de Nederlandse betrokkenheid: Dutchbat kon weinig doen aan de val. De Verenigde Naties hadden gefaald. Vredesmissie mislukt, jammer maar helaas. Niemand hoeft af te treden. Het boek Srebrenica lijkt dicht te kunnen.

Maar het debat over Srebrenica blijft oplaaien. Er duiken steeds nieuwe feiten op die Defensieminister Voorhoeve in de kamer moet uitleggen. Nationale en internationale media komen met kritische analyses: Waarom kreeg Dutchbat geen luchtsteun? Hebben de Nederlandse militairen wel voldoende gedaan om het drama te voorkomen of was men vooral bezig zijn eigen hachje te redden? En hoe zit het met de verantwoordelijkheid van Nederlandse politici?

42953358

Telefoontje van de minister

In de zomer van 1996 is het duidelijk dat de kwestie niet overwaait. Het kabinet besluit om eerst maar eens tijd te winnen; een uitgebreid historisch-wetenschappelijk onderzoek moet de feiten op een rij zetten. Het kabinet heeft daarvoor het RIOD (Rijks Instituut voor Oorlogsdocumentatie, thans NIOD) op het oog. Eind augustus 1996 krijgt directeur Hans Blom, die dan net is aangetreden, een telefoontje uit de ministerraad. Onderwijsminister Jo Ritzen belt met de vraag of het Instituut bereid is zo’n onderzoek te doen. “Het was natuurlijk een verrassende vraag, waar ik niet meteen een antwoord op kon geven”, vertelt Blom. Moet het instituut deze heikele opdracht wel aannemen, en zo ja onder welke voorwaarden? Blom: “We wisten dat het een politiek zeer zware lading had. Maar als die vraag aan jou als wetenschapper wordt gesteld dan vind ik eigenlijk niet dat je daar néé tegen kunt zeggen.”

Het NIOD gaat na wekenlange onderhandelingen met het kabinet akkoord. Hans Blom bedingt ruime financiële middelen, toegang tot alle Nederlandse stukken en hoofdrolspelers en er is geen tijdslimiet. De onderzoeksopdracht is ruim, heel ruim: “De gebeurtenissen voor, tijdens en na de val van Srebrenica,” aldus Blom: “Dat is dus de hele wereldgeschiedenis.”

Dat najaar gaat Blom met drie historici enthousiast aan de slag. Er moet eerst flink worden ingelezen want geen van hen is Balken-deskundige. Zo ook onderzoeker Bob de Graaff die later wordt aangetrokken. Hij is er één keer op vakantie geweest. Tien dagen in 1974. “Dat was wat mij betreft alles”, vertelt hij grijnzend.

De geheimhouding is groot. De onderzoekers mogen met niemand over hun bevindingen spreken. Omdat ze staatsgeheimen onder ogen krijgen, worden ze allemaal door de BVD gescreend. Er komen grote veiligheidssloten op de deuren, extra beveiligde computernetwerken en zware kluiskasten. De vitrages moeten dicht zodat vertrouwelijke stukken niet met telelenzen gefotografeerd kunnen worden.

42953557

'Pistool op de koelkast'

Naast het doorspitten van vele publicaties en honderden meters archief in binnen- en buitenland, interviewen de onderzoekers ook zoveel mogelijk betrokkenen: politici, militairen, ambtenaren, journalisten en hulpverleners. Niet overal gaan de deuren open, zeker niet in het buitenland, zoals Frankrijk dat een belangrijke rol speelde in de Verenigde Naties. Hier weigeren overheid en betrokken individuen vaak hun medewerking.

Op de Balkan merken de historici pas echt dat ze in een bijzonder onderzoek zijn beland. Onderzoeker Paul Koedijk vertelt dat Defensie aandringt op een bezoek aan het gebied: “Zodat we met eigen ogen zouden zien wat voor knikkerpotje het daar was.” Ze krijgen een helm, een kogelvrij vest, een camouflagepak en permanente militaire begeleiding. Hier ligt de oorlog nog vers in het geheugen en lopen de onderzoekers vaak tegen wantrouwen of diepe emoties aan. De vrouwen van Srebrenica bijvoorbeeld zijn helemaal niet geïnteresseerd in het NIOD-onderzoek. Zij zijn boos op Nederland en willen alleen maar weten wat er met hun mannen of zonen is gebeurd, vertelt Koedijk: “Dat waren zeer indringende en uiterst emotionele gesprekken. Je zat soms met twintig vrouwen in een ruimte, die dan begonnen te huilen of te schreeuwen.”

De onderzoekers kunnen zich niet onttrekken aan de ellende daar. Koedijk herinnert zich hoe zijn collega’s een weeskind in hun handen gedrukt krijgen. De ouders zijn bij de val omgekomen. De straatarme grootouders, die het kind onder hun hoede hebben, smeken de onderzoekers het mee naar Holland te nemen, in de hoop op een betere toekomst: “Dat heeft heel veel indruk gemaakt”, aldus Koedijk: “Dat zijn dingen die je in een normale academische omgeving niet tegenkomt.”

Daar kan Bob de Graaff over meepraten. Hij vertelt dat ze ook met daders op de Balkan spreken: “Een man zei tegen mij dat hij een hele hoop moslims had vermoord. Het enige waar hij spijt van had is dat het er niet meer waren. Tijdens dat gesprek lag er een pistool op de koelkast.”

Frank de Grave
Frank de Grave

Onderzoek onder druk

“Het was evident dat dit onderzoek van meet af aan zeer sterk in de schijnwerpers stond”, vertelt Hans Blom. Dat wordt alleen maar erger vanaf augustus 1998. Het nieuwe kabinet Kok is net aangetreden, wanneer de media met een nieuwe reeks onthullingen komt. Dutchbat zou zich schuldig gemaakt hebben aan strafbare feiten: overrijden van mensen, weigeren van hulp aan gewonden, een negatieve houding tegenover de moslimbevolking en meewerken aan de scheiding van mannen en vrouwen. Bewijzen daarvoor, zoals belastende fotorolletjes, zouden opzettelijk zijn vernietigd en interne onderzoeken door de Landmacht in de doofpot gestopt.

De nasleep van Srebrenica wordt steeds pijnlijker voor politiek Den Haag en leidt tot een totale verlamming van de Defensieorganisatie. Frank de Grave is net een week minister van Defensie wanneer hij zich in de studio van NOVA moet verantwoorden: “Dit kan dus niet en dat wil ik zo snel mogelijk boven water krijgen”, belooft De Grave daar krachtdadig.

Maar het NIOD is nog lang niet klaar, en de politiek wil nu actie en antwoorden. De kamer is het wachten op de wetenschappers van het NIOD beu. Er gaan stemmen op voor een parlementaire enquête. “Dat is heel erg eigen aan de politiek. Het moet altijd gister klaar zijn,” vertelt NIOD-onderzoeker Koedijk. “Maar wij hebben gezegd, there is no short cut to happiness in dit geval. Als je het goed wilt doen dan kost het tijd.”

Maar Frank De Grave heeft die tijd niet en geeft oud-minister Jos van Kemenade opdracht zo snel mogelijk te onderzoeken of er inderdaad sprake is van ‘een doofpot’ bij Defensie, om daarmee de bestuurlijke impasse te doorbreken. Zes weken later, op 28 september 1998, concludeert Van Kemenade dat er weliswaar veel blunders en slordigheden zijn begaan, maar dat er geen sprake is van een doofpot. Wel onkunde, geen onwil. Een conclusie die voor Defensieminister De Grave inderdaad de bestuurlijke lucht klaart, maar die geen stand houdt in het eindrapport van het NIOD, vele jaren later.

Hans Blom
Hans Blom

Steeds maar weer uitstel

De parlementaire enquête gaat in 1998 niet door. Wel belooft Blom zijn opdrachtgever het onderzoek te versnellen. Er komt zelfs een streefdatum, zomer 2001.
Het team wordt uitgebreid naar vijftien personen. De klus is veel omvangrijker dan gedacht. De VN en Belgrado stellen bijvoorbeeld onverwacht dozen vol ongeordende archiefstukken ter beschikking, die allemaal nog doorgeploegd moeten worden.

De tijdsdruk neemt steeds verder toe, net als de irritaties bij de buitenwereld. Zeker als gaandeweg blijkt dat de streefdatum niet haalbaar is en uitstel wordt aangekondigd tot november 2001. Jan Pronk, dan minister van VROM, ergert zich nu nog steeds aan de voortdurende vertraging bij het NIOD: “Achteraf vind ik het jammer dat het zozeer een groep historici was. Men is tot heel diep in de middeleeuwen teruggegaan. Dat was voor dit onderwerp naar mijn mening helemaal niet nodig.”

Nodig of niet, Blom moet in de zomer van 2001 diep door het stof. Ook november 2001 wordt niet gehaald en weer is er uitstel. Het wordt nu 10 april 2002; vlak voor de verkiezingen. Tot grote woede van premier Kok, vertelt toenmalig Defensieminister De Grave: “Dat was natuurlijk vreselijk. Ik denk dat Kok het buitengewoon egoïstisch vond van Blom, die hem daarmee in geweldige problemen had gebracht. Ik denk dat Kok het unfair en onredelijk vond”. Hans Blom begrijpt de woede van Kok wel: “Natuurlijk was hij kwaad. Daar had hij hele goede redenen voor. Wij waren ook kwaad. Op ons zelf.”

In de slopende eindfase van het onderzoek wordt er aan één stuk doorgewerkt op het NIOD. De pizzakoerier is er nu kind aan huis. De onderzoekers zijn moe en komen er niet meer aan toe elkaars stukken te lezen. De spanningen, ook binnen het team, nemen toe. “Ik begon ’s ochtends om half zeven achter de computer en sloot hem om tien uur ’s avonds af”, herinnert Bob de Graaff zich. Als hij op een avond ter ontspanning nog even tv wil kijken, wordt er door Jan Mulder bij Barend en Van Dorp geroepen dat die lui van het NIOD op staatskosten de oorlog zitten te vieren in plaats van te beschrijven. “Ik kan je vertellen dat ik hem toen door het scherm had willen trekken en zijn nek omdraaien”, aldus De Graaff.

'We hebben gefaald'

“Het is met de tong op de schoenen gehaald, maar het is gehaald. En ik ben nog steeds trots op het resultaat als geheel” zegt Hans Blom. Eind maart 2002 is het NIOD-rapport na vijfenhalf jaar eindelijk af. Maar twee weken voor de presentatie komt het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV) van Mient Jan Faber, dat beschikt over geheime notulen uit de ministerraad, met een eigen onderzoek. Conclusie: Dutchbat had wel degelijk de massamoord kunnen voorkomen. De Nederlandse regering had te weinig lotsverbondenheid getoond met de bevolking van Srebrenica.

De volgende dag reageert minister Jan Pronk vanuit het buitenland. Daarmee een voorschot nemend op het NIOD-rapport en het gemeenschappelijke kabinetsstandpunt daarover: “Terugkijkend hebben we gefaald. Ik, de politiek. En van dat falen zijn anderen het slachtoffer geworden”, stelt een aangeslagen Pronk voor de NOVA-camera. Jan Pronk haalt zich de woede van het hele kabinet op de hals, vertelt Frank de Grave: “Je gaat niet vlak voor het verschijnen van het NIOD-rapport, wat echt een kabinetszaak is, als individuele minister -en dan ook nog, met alle respect, een minister van VROM- daar bij NOVA een potje over zitten filosoferen. Zeker niet met zulke zware woorden. Ik vond dat heel onheus. Dat heeft hij van ongeveer alle collega’s te horen gekregen. Daar was geen woord Spaans bij.” Wim Kok is zo razend dat hij in een spoeddebat ongekend fel uithaalt naar zijn minister: “Als hij vindt dat hij de verantwoording niet langer kan dragen, dan kan hij morgen aftreden, of vandaag. Dat is zijn zaak.”

Bijna acht jaar later staat Jan Pronk nog steeds achter zijn uitspraak: “Ik kon en kan nog steeds niet tot een andere constatering komen. Die mensen zouden beschermd worden, maar ze zijn niet beschermd, ze zijn vermoord. Wij hebben gefaald, want zij leven niet meer”. Toch begrijpt hij in 2002 de woede van zijn premier. Hij beseft dat hij onterecht voor de troepen is uitgelopen waarmee hij het kabinet en Kok in de problemen heeft gebracht, vertelt Pronk: “Ik heb Kok toen mijn ontslagbrief aangeboden, maar die heeft hij voor mijn ogen verscheurd.”

42965171

'Dikke shit'

Pronk mag dus niet aftreden. Maar de spanning in het kabinet loopt flink op de dagen voor het verschijnen van het NIOD rapport. Al eerder heeft het kabinet geprobeerd voorinzage te krijgen, maar Blom wil alleen vlak voor de presentatie een mondelinge toelichting geven. Aanvankelijk vindt het kabinet dat te weinig en te laat, maar op maandagochtend 8 april, twee dagen voor de presentatie, worden Blom en twee van zijn onderzoekers alsnog uitgenodigd voor een bespreking op het Catshuis.

Behalve premier Kok zijn daar ook aanwezig, minister van Buitenlandse zaken Van Aartsen en minister van Defensie Frank de Grave. Kok komt meteen ter zake en vraagt de professor van wal te steken, vertelt Bob de Graaff lachend: “Blom trok alle registers open en gaf een college van een kleine twee uur waarin hij het hele rapport heeft samengevat.” Daarna is er gelegenheid voor vragen. Premier Kok wil weten of het NIOD dezelfde conclusies trekt als het IKV. “Daar worstelde Kok zichtbaar mee, of het anders had gekund”, aldus De Graaff. Maar het NIOD deelt de conclusies van het IKV niet. De situatie lag volgens Blom feitelijk toch anders. Tot grote opluchting van Wim Kok, volgens Bob de Graaff: “Hij zei, nou dan zijn we nu wel klaar.”

Maar ook Defensieminister Frank de Grave heeft nog een prangende vraag. Namelijk hoe het NIOD oordeelt over de conclusie van Jos van Kemenade uit 1998 dat er geen sprake was van structurele onwil bij Defensie om de minister en dus de kamer volledig te informeren. Blom zegt dat het NIOD daar vraagtekens bij heeft, en tot andere conclusies komt.

En dan is de bijeenkomst afgelopen. Blom en zijn onderzoekers zijn opgelucht. Zij realiseren zich op dat moment niet wat voor consequenties hun onderzoek zal hebben. Frank de Grave wel. Hij verlaat het Catshuis met grote zorgen: “Mag ik het onparlementair zeggen? Ik dacht, dit wordt dikke shit!”

Hoe het verder ging ziet u volgende week in het tweede deel van “In opdracht van de regering”. Over naïeve wetenschappers en de val van het kabinet…

Tekst en research: Carolien Brugsma
Samenstelling en regie: Paul Ruigrok

Geïnterviewden Bronnen
  • Jan Pronk
    Jan Pronk
  • Srebrenica, een ‘veilig’ gebied

    Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, “Srebrenica, een ‘veilig’ gebied. Reconstructie, achtergronden, gevolgen en analyses van de val van een safe area", Deel I, 2 en 3 (Amsterdam 2002).

  • In de ban van goed fout en fout

    Blom, J. C. H. , ´In de ban van goed fout en fout. Geschiedschrijving over de bezettingstijd in Nederland. Het geval Srebrenica´ (Amsterdam 2007).