↳ Enter om te zoeken
15 december 2016

The French victory at Verdun (1916)

1
Bekijk Video
6 min

De eerste films over Verdun

Film was nog een uiterst nieuw medium tijdens de Eerste Wereldoorlog. De loodzware camera's en de lage lichtgevoeligheid maakten het vrijwel onmogelijk om een waarheidsgetrouw beeld van de gevechtshandelingen te geven. Los van het feit dat onafhankelijke journalisten (zoals de Nederlander Lambertus Mokveld, die met veel moeite tot eind 1914 onafhankelijke reportages vanuit België kon schrijven) of cameramensen al snel "embedded" werden.

De filmbeelden die er van de Eerste Wereldoorlog bestaan, zijn dus vrijwel zonder uitzondering geënsceneerd en bedoeld als propaganda. Toch wil dat alles niet zeggen dat de impact bij het grote publiek enorm was. De eerste film, feitelijk een propaganda-documentaire, werd direct na het winnen van de Slag om Verdun in december 1916 uitgebracht, zowel in een Franse als Engelse versie (die laatste is hierboven te zien). In de maanden en jaren daarna verschenen meer films in dit genre.

De eerste speelfilm over Verdun werd in 1928 gemaakt door Léon Poirier onder de titel "Verdun, visions d'histoire".

De film volgt de Slag bij Verdun, die in 1916 tijdens de Eerste Wereldoorlog plaatsvond. In de film zijn ook originele beelden (footage) opgenomen.

De film werd geschoten op de plaats van het bloedbad. Poirier gebruikt, tien jaar na het conflict, slagvelden en de ruïnes van de forten van Vaux en Douaumont. De première werd gehouden in Parijs op 8 november 1928 in de Opéra Garnier, als onderdeel van de viering van tien jaar wapenstilstand.

Lees ook "Verdun et la Première Guerre mondiale vues par le cinéma", dat onlangs in Le Figaro verscheen.

Verdun, visions d'histoire (Léon Poirier, 1928)
Verdun, visions d'histoire (Léon Poirier, 1928) © senscritique.com © senscritique.com

Nederlandse ooggetuigenverslagen

Oogetuigenverslag Izak Samson

De biografische portal van het IISG meldt over Izak Samson:

Hij is geboren te Amsterdam op 20 mei 1872 en overleden te Antwerpen op 14 december 1928. Hij was de zoon van Israël Samson, slagersknecht, en Rebekka Koek.

Samson was aanvankelijk bierhandelaar van beroep. Hij werd lid van de Sociaal-Democratische Bond (SDB), was colporteur van Recht voor Allen en bestuurslid van de Amsterdamse afdeling. In mei 1897 werd hij tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld wegens majesteitsschennis. Als diamantbewerker was hij betrokken bij de staking(en) van 1894. Hij werd lid van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond, die hem na tal van conflicten in augustus 1899 schorste. In die tijd bekeerde hij zich tot 'het' anarchisme en propageerde zijn ideeën in den lande.

Van 1 december 1900 tot 22 november 1902 redigeerde hij het vrijcommunistische blad De Zweep, dat onregelmatig en met wisselende mederedacteuren verscheen. In 1904 werd hij lid van de Internationale Anti-Militaristische Vereeniging (IAMV)-afdeling Den Haag. Begin 1909 trad hij toe tot de nieuwe uit 1908 daterende Socialistenbond en maakte kennis met de centrale figuur G.L. van der Zwaag.

Na het ter ziele gaan van de Socialistenbond zocht Samson contact met de SDAP, waarin hij voorgegaan werd door de ex-anarchist en ex-Socialistenbonder J.C.H.Ph. Methöfer, die zich in 1912 bij de SDAP had aangesloten.

Vanaf het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vertoefde hij aan het front, waarvan hij verslag deed voor een groot aantal dagbladen, waaronder Het Volk, het Algemeen Handelsblad en Het Nieuws van den Dag. Tot november 1914 verbleef hij in België, daarna, tot eind februari 1917, aan het front in Frankrijk. Een bloemlezing uit zijn artikelen verscheen onder de titel Brieven, indrukken en beschouwingen door een neutraal journalist aan het Westfront der Geallieerden gedurende de jaren 1914, 1915, 1916, 1917 (Amsterdam 1917).

Het hieronder opgenomen verslag over de laatste slag om Verdun verscheen in dit boekje:
 

December 1916

Generaal Nivelle en zijn collega Pétain hadden gedurende de laatste weken herhaaldelijk het front voor Verdun bezocht en den aanval tot in alle bijzonderheden geregeld. Het was te voren vastgesteld, dat de aanval zou plaats hebben van af de Cóte de Poivre tot Hardaumont. Dus een terreinbreedte van plm. 10 km. Evenals vorige malen had men ook nu niets aan het toeval overgelaten.

Reeds eerder berichtte ik hoe druk men hier bezig was met het aanleggen van wegen. Dit was zeer noodig, want men vond 't veroverde terrein van 4 October in zeer desolaten toestand. Het nadeel van de winnende partij is hier steeds, dat men om verder te komen, allereerst het nieuw bezette terrein geschikt moet maken voor den aanvoer en 't vervoer der artillerie.

Wat het aanleggen en verbeteren der wegen zeggen wil, onder aanhoudend vuur van den tegenstander, kan alleen hij beseffen, die het terrein in oogenschouw heeft kunnen nemen. Doch de Franschen waren tegen begin December reeds zoo ver dat een aanval zou kunnen worden gedaan. Toen kwam echter de tegenwerking van zeer slecht weer, en achtte men het tijdstip ongunstig. Doch eindelijk, hoewel nog niet van goed weer kon worden gesproken, werd de aanval bepaald.

Na een nacht van regen, sneeuw en wind ving klokslag 10 uur de infanterie aan om den aanval te doen. Vier legerafdeelingen of divisies namen aan den strijd deel, en vielen de onderscheidene stellingen der Duitschers aan. Den voorafgaanden dag waren zeven Duitsche soldaten van één compagnie in handen der Franschen gevallen, en deze hadden zich uitgelaten over de ontzettende uitwerking der Fransche artillerie.

Geen wonder! De Franschen hadden langs de nieuw aangelegde wegen een geweldige massa geschut tot vlak achter hun infanterie aangebracht. Stelselmatig werd nu het vuur dier kanonnen verlengd, en heel het terrein voor de Fransche infanterie tevoren gezuiverd. Naarmate de infanterie voortrukte, sprongen de granaten in massa voor hen uit. Het was als een ander leger dat hen voorafging.

De wolkjes rook, de aarde en menschen, die voor de oprukkende Fransche artillerie zich ontwikkelden, vormden een onafgebroken gordijn, zoodat ze dubbele bescherming bood aan de poilus. De artillerie der Franschen was zóó hevig geweest, dat de dorpen Vacheraueville en Louvemont geheel in puin lagen evenals de schansen van Hardaumont en Bezonvaux.

Men trof daar dan ook weinig levende Duitschers meer aan. Tegelijk met de infanterie trad ook het luchtwapen op. Dit bracht veel verwarring onder de Duitsche infanterie. Men zou kunnen zeggen dat dit wapen in dezen oorlog, althans te velde, de rol vervult, die voorheen de cavalerie door haar charges teweeg kon brengen. Verscheidene afdeelingen der Duitsche infanterie werden vanuit de vliegmachines bestookt, nog voor ze in de aanvalslijn konden komen.

Zooals gezegd, om 10 uur ving de strijd der infanterie aan en om elf uur waren de Franschen reeds meester van de lijn Vacheraueville-Louvemont tot heuvel 378. Adjudant V. vergezelde met een luchtafdeeling die troependeelen. Een Duitsche kabelballon werd al dadelijk neergeschoten en viel in vlammen gehuld uit de lucht. Te 11.30 uur waren de Franschen reeds meester van al de heuvels van Louvemont en van de schansen van Hardaumont en Lorient.

Om drie uur bereikte men de passage van het fortje van Bezonvaux, terwijl een andere afdeeling langs een anderen weg de hoeve Chambrette innam. Wat na de bezetting van het terrein opviel, was dat de Duitschers hun loopgraven naar het voorbeeld der Franschen hadden ingericht. Op de Coté de Poivre hadden de Duitschers een versterkte schans waaraan ze vanaf Maart hadden gewerkt.

De troepen die hier den aanval deden stonden rechtstreeks onder bevel van generaal N., denzelfden die ook den vorigen aanval had geleid. Men kan de moeilijkheden begrijpen waarmee de Franschen hadden te kampen, als men bedenkt, dat ze meer dan 30 kilometer weg moesten aanleggen om hun materiaal ter plaatse te brengen.

Van de verdedigingskracht kan men zich eveneens een denkbeeld vormen, als men weet, dat de Franschen tot nu toe 115 kanonnen buitmaakten, 44 bommenwerpers en niet minder dan 710 machinegeweren. Men ziet dat er zoo wat op iedere 10 meter een machinegeweer is.

Het aantal gevangenen is intusschen tot 11.500 gestegen plus bijna driehonderd officieren. Naar schatting hebben de Duitschers hier meer dan tweehonderdduizend man. Hun verliezen aan dooden en gewonden, worden geschat op 40 à 50.000. Zoodat ze met de krijgsgevangen bijna alles van hun macht hier zouden hebben verloren.

Terwijl ik dit schrijf komen nog steeds krijgsgevangenen en gewonden binnen. Een compleet overzicht van heel het gebeuren is nog niet te geven. Men is nu druk bezig met het wegruimen der dooden, de ambulance-auto's hebben het zeer druk. Ook de Duitschers lieten veel gewonden achter. Die gewonden hebben meestal hun kwetsuren te danken aan granaatscherven. De stumpers zien er erbarmelijk uit.

Later.

Nu is de strijd weer eenigszins geluwd. We mochten een deel van het nieuw heroverde terrein in oogenschouw nemen. ‘Geheel zonder gevaar, zou het niet zijn,’ aldus werd ons meegedeeld. Zoo gewenscht kon men zich dus terugtrekken.

Maar, wie doet dat nu? Zelfs al zou men lust er toe hebben, in dit geval is er meer moed noodig om achter te blijven, dan om mee te gaan. Dus allen gingen mee. Reeds van uit de verte bemerkten we de felle kanonnade die de Duitschers onderhielden op de door hen verloren stellingen.

Het was als klonk in dit kanon gedonder spijt over het verlies van dien grond, om welks bezit zij tienduizenden mannen hadden moeten offeren. Toen we in den sector kwamen van Champneuville-Louvemont, beving ons allen een gevoel van somberen eerbied. Hier betraden we inderdaad gewijden grond. Grond die met stroomen kostelijk menschenbloed gedrenkt was.

Of ook hier als in de oude sage, uit dit bloed nieuwe strijders zullen rijzen? Later, veel later zal de ploegschaar weer door de aarde worden gedreven en daarna zal een nieuwe graanoogst rijpen voor het komende geslacht.

Het bombardement was in vollen gang, en dus moesten we in gezwinden pas langs die punten die als de meest trefbare in aanmerking kwamen. Die punten liggen juist daar waar nog resten van de versterkingen intakt bleven.

De Duitschers wisten natuurlijk in welken toestand ze die stellingen achterlieten, en om te voorkomen dat de Franschen die stellingen zich ten nutte zullen maken, worden ze onder voortdurend vuur gehouden. Vandaar de steeds terugkeerende uitdrukking, in de mededeelingen: ‘Action d'artillerie intermittentes’. Doch die ‘tusschenpoozen’ moet men zich vooral niet te lang denken. Maar de Franschen zijn ook niet van gisteren. Wetende welk vleesch ze in de kuip hebben, leggen ze, al kost dit meer arbeid, liever elders nieuwe stellingen aan.

Dit verklaart mede, waarom telkens opnieuw een pauze in den strijd intreedt. Den grond dien we betraden was geheel omwoeld. De toestand zooals die zich aan ons vertoonde is met niets te vergelijken. Ik ken geen natuurkracht, zelfs geen orkaan die de aarde in zoo'n desolaate toestand zou kunnen brengen, als de moderne springstoffen zulks vermogen te doen. Op onderscheiden plaatsen ligt de aarde zoodanig omgewerkt, dat de teelaarde meters diep onder is gewoeld. Diep spitten zal hier zeker noodig zijn, om later weer vrucht van dien bodem te bekomen.

En ondanks de zorgvuldige opruiming vindt men zoo nu en dan nog overblijfselen van menschen op den bodem. Een eerste ontploffing heeft meestal die lichaamsdeelen, diep onder de aarde bedolven, terwijl een volgende ze er later weer uit te voorschijn brengt. Het blijft steeds treffend zulke waarnemingen te doen. Dat men veelvuldig dierencadavers hier vindt, spreekt wel van zelf.

Toch zijn die ijselijkheden hier minder dan daar waar in het open veld gestreden wordt. Het is dan ook wel eens de moeite waard om op het volgende de aandacht te vestigen. Wanneer de aanvallende partij optreedt, vindt ze gewoonlijk maar weinig lieden tegenover zich op het veld. De meesten hunner tegenstanders bevinden zich onder den grond, in het ontzaglijk aantal holen, kelders en andere ondergrondsche verblijven. Dit verklaart waarom men uit een waarnemingspost eigenlijk zoo weinig van het vechten der twee legermachten ziet.

Als eenmaal de aanvallende partij toegang tot de schuilplaatsen der tegenpartij heeft gekregen, is aan verdediging van deze door de aangevallenen feitelijk niet meer te denken. Gelijk ik reeds eerder opmerkte, alleen het binnenkomen van gevangenen is voor ons een zeker teeken, dat terrein wordt gewonnen. En dan natuurlijk weten diegenen die op de ontvangposten telegraaf en telefoon bedienen, alles van de zaak af. Want voor die gemeenschap wordt vóór alles zorg gedragen. Dit werd ons nog eens duidelijk gemaakt door den officier die ons begeleidde.

In de streek van Douaumont had pas een der meest bekende Fransche vliegers den dood gevonden. Bezig zijnde met verkenning was kapitein De Beauchamp, door een aantal Duitsche vliegers aangevallen. Op een gegeven oogenblik kreeg hij een gevaarlijke kogelwond en werd buiten gevecht gesteld. Hij had nog juist de kracht om zijn machine boven de Fransche linies te brengen en viel te pletter op het fort van Douaumont. Men wees ons de plek waar de dappere neerkwam. Zoo is hier elk plekje als het ware historisch.

Ik geloof niet, dat ergens ter wereld met meer offers, maar ook niet met meer heldenmoed en onverschrokkenheid om het bezit en behoud van den vaderlandschen bodem is gestreden dan voor Verdun; den sleutel tot Parijs. En al duurde ons bezoek hier maar ruim drie uren, allen zullen we ons geheele leven de onuitwischbare indrukken in ons omdragen, die we hier ontvingen.

En stil, ingetogen, liepen we allen door de smalle loopgraven terug, naar de plaats waar de auto's ons wachtten om weer naar rustiger oorden vervoerd te worden. En eenige rust heeft men inderdaad noodig, wanneer men 7 à 8 dagen zoo rondzwerft, en op de ‘stille’ momenten, het kanon in alle toonaarden hoort over de vlakte. Die ontzettende onheilspellende geluiden laten een mensch niet meer los. Ver buiten de gevechtszone meent men het nog te hooren. Het slaan van een deur, het vallen van een plank, ja ieder geluid, roept opnieuw de herinnering van het geziene en gehoorde op.

samson.jpg
Izak Samson © IISG © IISG

Louis Grondijs

Louis Grondijs (Pamekasan, 25 september 1878 - Den Haag, 17 maart 1961) was een Nederlands oorlogsjournalist en kunsthistoricus. Hij was geboren in Nederlands-Indië als zoon van een Europese hoofdonderwijzer en een Indo-Europese moeder.

Grondijs studeerde wis- en natuurkunde in Utrecht en Leiden. In 1907 stichtte hij met Johannes Diderik Bierens de Haan het Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte waarvan hij tot 1932 redacteur was. In de jaren 30 studeerde hij Byzantologie aan de Sorbonne te Parijs. Hij promoveerde daar op de afbeelding van de Christusfiguur in de oosters orthodoxe kerk en in de oosterse kerken. De typische bèta kon geen waardering opbrengen voor lyrische beschrijvingen van kunst of inlevingen in de persoon van de kunstenaar. Hij werkte met contemporaine citaten en bronnen en deed ook archeologisch onderzoek.

Eerste Wereldoorlog

Louis Grondijs was in 1914 leraar in Nederland. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zegde hij zijn baan op en vertrok als oorlogscorrespondent voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant naar het front in België.

Het verblijf aan het front beviel zo goed dat hij oorlogscorrespondent bleef. Nederland was neutraal en de zeer Indisch ogende Grondijs was een ideale onpartijdige waarnemer voor een aantal internationale bladen. Door bluf en talenkennis, hij sprak vloeiend Frans, wist hij, anders dan de andere journalisten die in Parijs moesten achterblijven, de Slag bij Verdun mee te beleven. Hij tafelde daar met Franse generaals waaronder Pétain. Van de beruchte generaal Mangin kreeg hij in 1916 een verkenningsvliegtuig tot zijn beschikking waarmee hij over de slagvelden vloog. Hij gaf zich in publicaties over aan lyrische beschrijvingen van de slagvelden waarop tienduizenden mannen sneuvelden en waande zich, in eigen woorden, een Indische krijgsgod. Een van die verslagen volgt hieronder:


Vliegtocht boven slagveld van Verdun

In het vliegersescadrille van Mangin's legerkorps was een waarnemingsvliegtuig te mijner beschikking gesteld. Elken morgen, en soms nog eenmaal tegen den avond vlogen wij over het beroemde slagveld. Gedurende uren en uren zweefden wij in wijde spiralen of grillige arabesken over een der bewonderenswaardigste tooneelen welke het den mensch sinds der wereld schepping gegeven is geweest, te aanschouwen.

Door het geweld van honderden millioenen granaten waren dorpen en wegen, landerijen en wouden, kasteelen en kerken, verpoederd tot eene onmetelijke vormelooze woestenij, waarin elke nieuwe ontploffing uit een nieuwen trechter slechts een ijle stofwolk opjoeg. Nooit zweeg, rondom Verdun, het geschut geheel en al. Des nachts waren enkel het verre geratel der machinegeweren en de doffe knallen der loopgraafkanonnen verneembaar.

Tegen den dageraad opende de een of andere batterij aan onze zijde, met barschen klank, het vuur, en eene vijandelijke batterij antwoordde met een meer gedempt maar verbetener geluid. Na deze eerste proefschoten, ontwaakten alle helhonden in de plooien van het woeste landschap.

In lange rijen, in onregelmatige groepen, blikkerden ver weg achter het front, uit zwartgeblakerde ravijnen, achter steile heuvelklingen, uit schaarsche woudresten, de schelle vlammen der losbarstingen op.

Beneden ons werden tegen de grijze stofmassa's, kleine scherp afgeteekende rookpluimen zichtbaar, die zich uitbreidden tot vage wolkjes, samenvloeiden tot een breeden nevel, en met den rook van het vijandelijke geschut versmolten tot een geligen damp.

Met de gevechtsinstruktie's in de hand, volgde ik de werkingen van het geschut, en, tot in hare kleinste bijzonderheden, de ontwikkeling van den veldslag. Nu eens balde zich de mist samen en verborg het landschap voor onze oogen, dan weer werd hij door den wind opengescheurd, verijld en voortgejaagd.

Toen het oogenblik naderde waarop de infanterie door een snelle beslissende aktie den arbeid der andere wapenen bekronen zou, daalden wij uit den damp af tot tweehonderd meters boven den beganen grond.

Met het bloote oog vielen nu de modderige trechters te onderscheiden, waarin de poilu's, een ieder met zijn konservenvoedsel en zijne handgranaten in zijn granaatgat afgesloten, in storm en regen, onder granaatontploffingen en shrapnellosbarstingen, eenzaam en berustend, heldhaftig en verdoofd, zich aan hun noodlot overgaven.

Onder het artillerieonweer zagen wij ontelbare levende stipjes, met onregelmatige hortende rukjes, in een gebroken lijn voorwaarts springen. Hier en daar flikkerden voor hen uit de losbarstingen der handgranaten op. Verder naar achteren rukten tweede en derde linie’s en de reserve's voorwaarts, naar hunne nieuwe stellingen achter de eerste aanvalskolonne's.

Op de zoo juist veroverde trechters opende de vijand een hevig geschutvuur. Onder deze beschieting drongen talrijke stipjes, in dichte drommen, haastig naar achteren, in de richting der stad: de krijgsgevangenen. Wel werd er op ons vliegtuig geschoten, maar wat deed het er toe! Wij konden de oogen niet afwenden van de majesteit van het landschap, van de moreele schoonheid van het krijgsschouwspel.

Ik gevoelde mij als een Indischen krijgsgod die, uit de wolken, grimmig en verwonderd, onverstoorbaar en helderziend, opgetogen en medelijdend, van een door de nationale godheden te zijner eere voorbereiden gladiatorenkamp, getuige was.

Louis Grondijs
Louis Grondijs © CC

Mr. M.C.M. Voorbeijtel

Voorbeijtel was correspondent te Parijs van het Algemeen Handelsblad. Onderstaand fragment is afkomstig uit: "Van Veerkracht en Heldenmoed
Aan en achter het Fransche front", door Mr. M.C.M. Voorbeijtel (1917).


DE MORT-HOMME

Het heuvelland om Verdun is in deze laatste jaren geworden tot een land van verschrikking. Geen geschiedschrijver, geen episch dichter zal ooit een ook maar van verre benaderende beschrijving kunnen geven van al de afgrijselijkheden waarvan het het lijdzame toneel is geweest.

Het is te veel en te erg, wat hier gebeurd is, dan dat één menselijke geest het alles zou kunnen omvatten, en woorden zou kunnen vinden, die net zwak en bleek bleven, naast de werkelijkheid.

Er is een mate van ontzetting, die sprakeloos maakt. Het vage besef van dat alles, meer nog dan de herinnering aan enkele afzonderlijke episoden is het, dat ons even huiveren doet, als een soldaat ons zegt, dat hij meegevochten heeft voor Verdun...

Toch zijn het alleen die enkele verhalen van afzonderlijke gevallen, die ons een denkbeeld kunnen geven van de Verdunse hel. Van lichamen uiteengerukt door de grillige, vlijmscherpe staalveren, van hoofden en rompen en lichaamsdelen rondgeslingerd in de onophoudelijke uitbarstingen der zware projectielen, van vlammende petroleumstralen en verstikkende gassen- er is sinds drie jaar al het nodige van verteld.

Een bijzondere verschrikking voor de streek om Verdun is daarbij nog het herhaaldelijk voorgekomen wegzinken, levend, in de taai-vloeibare modder. Daarvan sprak mij ditmaal een officier, die dat had bijgewoond – eenvoudig en zonder ophef of grote woorden, zoals allen doen, die zelf een rol gespeeld hebben in dit vreselijke drama.

‘Eén geval is me in het bijzonder bijgebleven’, zei hij. ‘t Was tijdens een attaque in het afgelopen voorjaar. Voortworstelend over een terrein dat dagenlang door de artillerie beschoten was zag ik dicht bij me een soldaat, die niet opschoot. Vooruit kerel! roep ik hem toe. O God, kapitein, ik kan er niet meer uit, klaagde de man, die halverwege in een granaattrechter vol modder was weggezakt. Ik hol weg, verzamel drie, vier man met touwen en planken – in enkele minuten ben ik weer terug. Maar van de ongelukkige soldaat was toen al niets meer te zien...’

Voor de taaie, lemige grond die heel Verdun omringt, onophoudelijk uiteengescheurd door de barstende granaten en doormengd met overblijfselen van mensen en dieren, hebben de Verdunse soldaten een speciale uitdrukking, uitdrukking die alleen toelaatbar is in de mond van degenen, die er zelf dagelijks hun leven waagden. Ze noemen die ‘galantine de volaille’... ['vlees-gelei']. Er is, dunkt me, geen beschrijving denkbaar, die zo sterk de ontzetting weergeeft van de tegenwoordige oorlogswerkelijkheid als deze schrijnende kwalificatie.
'
Kort nadat de zon was opgegaan, zwoegden we omhoog tegen de nagenoeg onbegaanbare helling van de beruchte Mort-Homme. Men weet dat zelfs in de Verdunse omgeving deze heuvel met de lugubere naam een bijzondere reputatie heeft door de buitengewone bloedigheid van de gevechten, die er geleverd zijn.

Wilden de Duitsers hun omsingelen van het vestingcomplex op de linker oever van de Maas voltooien, dan moesten ze deze bijzonder sterke positie, die de gehele omtrek beheerst, tot elke prijs veroveren.

De Fransen lagen in een zeer ongunstige stelling tegen de zuidelijke helling van een iets lagere verhevenheid ten noorden van de Mort-Homme zelf, met in de rug een moerassig watertje in de inzinking tussen de beide heuvels.

Het bleek onmogelijk zich daar te handhaven, en zo kwamen de twee toppen waaruit de Mort-Homme bestaat, en die gedurende enige tijd aanleiding gegeven hebben tot de bekende controverse in de Franse en Duitse communiqué’s, in handen van de vijand.

Toen nu in de loop van dit jaar de opeenvolgende operaties hadden plaatsgehad, die het Verdun-leger op de rechter oever van de Maas lucht gegeven hebben, en die hebben geleid tot de herneming van de Forten van Vaux en Douaumont, was het nodig ook op de linker oever wat meer ruimte van beweging te krijgen.

Daarom werden de nodige toebereidselen gemaakt voor een grote onderneming aan deze kant, die den 24-ste augustus van dit jaar werd uitgevoerd, en die, zoals men weet, volkomen geslaagd is. De vijand wed geheel verdreven van de beide heuveltoppen en teruggeworpen naar de overkant van het stroompje, dat Ruisseau des Forges heet.

Een nieuwe aanval op Verdun, zoals die van februari 1916, is thans, gegeven de machtsverhoudingen op het westelijk front, waarbij sinds vele maanden alle successen zonder onderscheid aan de kant der geallieerden zijn, menselijkerwijs gesproken een onmogelijkheid.

Het terrein, waar we ons bewogen, is dus sinds een maand of twee, drie weer in Franse handen, en het vertoont nog, sterker dan enige andere Franse herovering die ik nog zag, het beeld van wat er is omgegaan.

Deze Mort-Homme in zijn tegenwoordige gedaante, is niet beter te vergelijken dan met een maanlandschap, zoals een goede kijker dat te zien geeft. Geen stukje grond dat niet met de kraters van ontploffingen bedekt is, kraters die op vele punten elkaar raken en in elkaar overgaan. Bij ’t moeizaam omhoog klimmen glijdt men telkens weg in de glibberige trechters en heeft dan de grootste moeite er weer uit te komen. Opkrullende einden prikkeldraad scheuren kleren en handen vaneen.

Telkens stuit men op overblijfselen van het gevecht – geweren, granaatscherven, niet gesprongen bommen, luchttorpedo’s, handgranaten, pakjes patronen. Duitse helmen, granaatkisten, leeg en vol en veelal stukgeschoten, stukken van affuiten, liggen overal in het rond.

En wat het denkbeeld van een telkens mogelijke val tot iets bijzonder walgingwekkends maakt, zijn de menselijke overblijfselen die men, door de grote uitgestrektheid van het terrein en het aanhoudende bombardement, nog niet heft kunnen opruimen, en die, met tal van macabere details van gebleekte beenderen en grijnzende tanden, te midden van een hoopje halfvergane vodden hier en daar zichtbaar zijn...

En wij lopen daar nu op klaarlichte dag, onbeladen, met vrije handen en stevige stokken met punten om op te steunen; we hebben niets anders te doen dan uit te kijken waar we onze voeten zetten, en we zijn nagenoeg niet in gevaar, nu het bombardement zich op deze diezige najaarsdag tot een enkel schot nu en dan bepaalt.

Maar denkt u nu eens in het lot van soldaten die onder deze omstandigheden vechten moeten, zwaarbeladen met wapens en zakken en tassen, die stormlopen moeten tegen een stelling welke aanhoudend mitrailleuse-kogels spuwt, onder een spervuur van springende granaten, dat overal hun kameraden neervelt om hen heen.

Denkt u eens in de onoverkomelijke moeilijkheden van ravitaillering in zulk een terrein; het zwoegen in de duisternis van de nacht tegen deze chaotische helling op met de zware ketels met eten, de lastige emmers met koffie, die daarboven moeten komen in de voorste tranchée, willen de strijders daar het leven kunnen houden...

Is het niet onbegrijpelijk, dat menselijke wezens dit alles verduren en volbrengen kunnen? Is het niet een wonder van alles-overwinnende energie, dat ze onder zulke omstandigheden zo taaie tegenstanders als de Duitsers verdrijven konden uit zùlk een stelling? Wat de soldaten van Verdun hier en op zovele andere dergelijke punten voor hun land gedaan hebben, het is met geen woorden te zeggen!

In de maanden, gedurende welke de Duitsers de Mort-Homme in hun bezit hebben gehad, hebben ze er een van de merkwaardigste werken aangelegd van het hele front. Het is de Gallwitz-tunnel, van welker verovering in de officiële Franse mededelingen van de augustus-dagen sprake geweest is, en die wij bij ons bezoek op ons gemak hebben kunnen bekijken.

Afdalend langs een keurige houten trap komt men in een brede, ruim twee meter hoge gang, die geheel bevloerd en beschoten is met hout en langs beide wanden met stevige houten balken beschoord. Die gang is ongeveer achthonderd meter lang, en op regelmatige afstanden met electrische gloeilampjes verlicht.

Aan weerszijden bevinden zich hier en daar vrij ruime keldergewelven die tot schuil- en verblijfplaatsen voor troepen zijn ingericht. Een van die ruimten, van enorme ketels voorzien, is erop berekend eten te koken voor een groot aantal manschappen.
Een andere vormt een complete moderne machinekamer, waar een paar motoren de nodige stroom leveren voor de electrische verlichting.

Door de dikke laag aarde, die er boven ligt, is het gehele complex nagenoeg volkomen bomvrij. Het geweldige bombardement, dat de Fransen erop gericht hebben, heeft er in het geheel geen effect op gehad. Slechts op één punt heeft en granaat van veertig centimeter, die gesprongen is na diep in de grond te zijn doorgedrongen, een lichte inzakking veroorzaakt, die echter met een paar planken gauw weer verholpen was.

Zolang de Duitsers erin geslaagd zijn hun aanvallers op een afstand te houden heeft deze tunnel hun goede diensten bewezen, al lijkt toch het nut dat ze ervan trokken niet in verhouding tot het geweldige werk en het materiaal, die eraan zijn besteed.

Maar toen eenmaal hun linie tot over de Ruisseau des Forges teruggedreven was, werkte de beschermende tunnel als een muizenval. De honderden soldaten, die erin waren, hebben zich nog anderhalve dag kunnen verdedigen, maar zich toen moeten overgeven, nadat handgranaten en mitrailleuses een verschrikkelijke slachting onder hen hadden aangericht. En thans profiteren de Fransen van het Duitse werk, waartegen de Duitse bommen nu al even onmachtig zijn als tevoren de Franse.

Terwijl we luid pratend met de officieren, die ons vergezelden de tunnel doorwandelden, kwam eensklaps een gesus ons gesprek stuiten. Aan de ingang van een van de zijkelders hing een rodekruisvlag; zouden er gewonden liggen? Neen, ‘la messe’ werd er gefluisterd. En toen we nader kwamen en naar binnen keken, zagen we dat daarbinnen – ’t was zondag – een kerkdienst werd gehouden.

Die mis daar onder de grond blijft en der merkwaardigste herinneringen van mijn frontreizen. Door de mist heen, waarin de grote kookketels van de nabij zijnde keuken dit gedeelte van de tunnel hadden gehuld, zag men tussen de donkere figuren van de officieren en de mannen door de officiant in een wit met goud gewaad voor het altaar bezig. Dat altaar bestond uit een brede, withouten plank, waarboven een ruw houten kruis. Geen Christusbeeld; slechts het opschrift in zware drukletters: O crux ave! Twee kaarsen, aan weerzijden op het altaar geplaatst, verlichtten vaag het geheel.

De priester, een soldaat blijkbaar, droeg onder zijn plechtgewaad de zware, bemodderde tranchéeschoenen. Een andere soldaat, in het gewone horizonblauwe uniform, deed dienst als koorknaap. Slechts het geprevel van de priester, op enkele ogenblikken door het gebrom van antwoord-gemompel beantwoord, verbrak de stilte. Het gezicht van die mannen, uit het gevaar komend, waarnaar ze straks weer zouden terugkeren, die daar met vrome aandacht de dienst volgden die hen voor een ogenblik uit de ellende van hun dagelijkse omgeving ophief, trof mij meer dan enig gehoor, dat ik ooit bij een godsdienstoefening zag.

Als ik terugdenk aan dit bezoek aan het geteisterde, desolate land daar om Verdun en aan de onnoemelijke ellende die er geleden wordt, dan is het telkens weer de herinnering aan die schamele, Rembrantiek-verlichte kerkdienst daar onder de grond, die boven alle nadere domineert.

Het was alsof me eerst daarin tastbaar werd het besef, dat er geloof nodig is in een ideaal dat de geest boven zijn omgeving verheft – ’t moge dan christendom zijn of socialisme of vaderlandsliefde of wat ge maar wilt – zal de mens in staat zijn de grote dingen te volbrengen, die we in deze oorlog zien gebeuren, en die vaak onmogelijk en onwaarschijnlijk lijken voor wie ze als buitenstaander bekijkt.

The Mill on the Meuse (WWI Documentary)

Bekijk Video
1 min min

Verdun, visions d'histoire (1928) [full film] [English subitles)

Bekijk Video
152 min min
15 december 2016

Vijftig jaar na de Slag bij Verdun (VARA, 1966)

1
Bekijk Video
1 min
15 december 2016

50e herdenking Slag bij Verdun (1916 - 1966)

1
Bekijk Video
1 min
15 december 2016

De 22e herdenking van de Slag bij Verdun (1916 - 1938)

1
Bekijk Video
1 min
Credits
  • Marnix Koolhaas