Meer verdieping op het gebied van geschiedenis? Kijk op NPOFocus.nl
↳ Enter om te zoeken
25 januari 2005

Colditz

Andere Tijden Colditz Colditz
Bekijk Video
1 min
Erewoordverklaring

Geen van drieën hebben ze tijdens de meidagen van 1940 een schot gevuurd en echte oorlogshandelingen hebben ze alleen in de verte gezien. De oorlog is over voor ze er erg in hebben en teleurgesteld keren de luitenants (2e en 3e klasse) Frits Kruimink en Flanti Steinmetz, en cadet Jacques Hageman naar hun kazernes terug en wachten, wachten wat er met het Nederlandse leger gaat gebeuren. In het geruchtencircuit gaat rond dat er van hun verwacht wordt dat ze een erewoordverklaring moeten tekenen, een verklaring waarin ze beloven zich op geen enkele wijze te zullen verzetten tegen de bezetters.

Twee maanden later, op 13 juli 1940, krijgt Hageman een telegram. Hij moet zich de dag erop melden bij een kazerne in Den Haag, voor het tekenen van een erewoordverklaring. Ook Steinmetz en Kruimink moeten zich melden in de toenmalige marinekazerne in Amsterdam (het huidige scheepvaartmuseum). Kruimink: ‘Ik denk dat het tien uur in de ochtend was. We waren ingedeeld in groepen. Ik stond in een rij die langzaam, stuk voor stuk, dichterbij een tafel kwam waarachter twee Duitse en een Nederlandse officier zaten en daar moest je je verklaring inleveren. Toen ik aan beurt was heb ik demonstratief het biljet doormidden gescheurd en neergelegd. Waarop de Duitse officier opsprong en salueerde. En ik salueerde natuurlijk terug zoals een goed militair betaamt’.

Steinmetz zegt in het Nederlands dat hij niet tekent, vouwt de brief op, en steekt hem – ‘Leuk voor later’ - in zijn borstzak. Ook Hageman weigert te tekenen: ‘De verklaring werd aan mij voor gelezen: “Hierdoor verzeker ik op eerewoord dat ik gedurende dezen oorlog althans zoolang Nederland zich met het Duitsche Rijk in oorlogstoestand bevindt aan geen enkele front noch direct, noch indirect zal deelnamen aan den strijd tegen Duitschland. Ik zal geen handeling begaan of verzuim plegen waardoor het Duitse Rijk schade, van welke aard ook, zou kunnen lijden.” Ik keek niet naar dat ding en ook niet naar die Duitser en toen zei ik: “Ich wünsche das nicht zu unterschreiben”. En toen zei die Duitser heel rustig: “Dann erkläre ich Sie Kriegsgefangenen der Deutschen Wehrmacht”. En toen werden we in een aparte kamer gezet.’

Steinmetz

Wel of niet tekenen?

Motivaties

Volgens de Conventie van Genève is het Nederlandse officiers toegestaan onder bepaalde omstandigheden zo’n erewoordverklaring te tekenen. De situatie in mei 1940 is echter nogal onduidelijk, mede omdat Generaal Winkelman direct bij de capitulatie gevangen is genomen en dus niets meer kan zeggen. In de achtergebleven legertop bestaat geen overeenstemming over de te volgen koers. Uiteindelijk komt er een wat halfslachtig advies de verklaring wél te tekenen, maar een dwingend commando is het niet.

Het overgrote deel van de ruim 2000 Nederlandse officieren besluit de verklaring te tekenen en daarmee krijgsgevangenschap te voorkomen. Slechts 69 militairen weigeren: zes generaals, vijftig officieren (acht van de marine, drie van de landmacht en negenendertig van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger), twaalf cadetten en één stoker van de marine. Wat opvalt is het grote aantal niet tekenaars onder de KNIL militairen. Zij zijn in mei 1940 op verlof in Nederland, geven les of - zoals in het geval van Hageman - zitten op de Koninklijke Militaire Academie. In zekere zin is het voor KNIL militairen makkelijker om niet te tekenen. In KNIL-voorschriften staat namelijk nadrukkelijk vermeld dat het verboden is om een erewoordverklaring te tekenen, in tegenstelling tot de voorschriften voor militairen in Nederland.

Kruimink: ’Die erewoordverklaring was voor mij net te veel. Een maand daarvoor was ik officier geworden, had ik mijn erewoord aan de Hare Majesteit en onze wetten afgelegd en dan zou ik nu een nieuw erewoord moeten afleggen aan de Duitsers, terwijl mijn koningin en mijn marine waren vertrokken en door vochten. Voor mij lag het simpel: ik hoefde niet te tekenen.’ Ook Steinmetz ziet geen reden om zijn eed aan Wilhelmina te breken: ‘Als je eenmaal begint zulke verklaringen te tekenen die de Duitsers je voorleggen, waar eindigt het dan mee?’ ‘Het zijn allemaal nuttige argumenten’, geeft Hageman toe, ‘maar in mijn geval was het tachtig procent emotie. Ik was jong, boos, recalcitrant en arrogant. Ik had wel verwacht gevangen te worden genomen, maar ik dacht: ze gooien ons in een Nederlandse cel om ons buiten de oorlog te houden. Ik had niet verwacht dat ze ons de dag erop al naar Duitsland zouden brengen.’

Voorbereid op het ergste hebben de meeste weigeraars enige verschoning in een koffertje bij zich. Alleen Arie Ligtemoet heeft niets bij zich. In eerste instantie tekent hij, maar hij bedenkt zich, loopt terug, pakt het formulier en verscheurt het. (Later zal hij succesvol ontsnappen. Hij sterft waarschijnlijk in 1948 in Russische krijgsgevangenschap.) De verhouding tussen Duitsers en de Nederlanders is opmerkelijk respectvol. De Duitsers hebben in zekere zin wel bewondering voor het principiële standpunt van de weigeraars. Aan Steinmetz wordt nog gevraagd of hij naar huis wil om afscheid te nemen van zijn ouders. Steinmetz: ‘Mijn antwoord was: “Dank u wel, wij zijn klaar”’.

Soest en Juliusburg

Leerscholen in ontsnappen

De groep gevangenen wordt in eerste instantie vervoerd naar een krijgsgevangenenkamp niet zo ver over de grens, in Soest [spreek uit “zeust”], Westfalen. Steinmetz: ‘Soest was een vreselijke accommodatie, een grote half af gebouwde kazerne. Vijf, zes blokken van drie hoog. Op sommige verdiepingen lag de vloer er nog niet eens in. Wij boften: we kregen een blok met een vloer erin. Het was een doorgangskamp. Er zaten zo’n 1700 Belgen, die later werden vervangen door evenzoveel Fransen.’ Kruimink: ‘Die mannen hadden echt gevochten bij de Maginot-linie. Ze liepen in lompen en dat was voor ons een openbaring. Wij zagen voor de eerste keer echte krijgsgevangenen, want zo beschouwden we ons eigenlijk nog steeds niet.’

In Soest vindt de eerste Nederlandse ontsnapping plaats. Luitenant ter zee 2e klasse Larive komt tot aan de Zwitserse grens, maar wordt daar alsnog gepakt. In het verhoor dat volgt laat de Duitse ondervrager merken dat Larive bij dit stuk grens vanwege de zware bewaking geen kans maakte, maar dat bij de grensplaatsen Singen en Radorfzell toch echt wel kansen liggen… Deze informatie, gegeven door een loslippige Duitse militair, blijkt later buitengewoon waardevol. De volgende jaren ontkomen via deze onbewaakte grensovergang een flink aantal Engelse en Nederlandse officieren.

De Nederlandse officieren willen niet zozeer ontsnappen om de kampen te ontvluchten. Het verblijf in de kampen is zeker niet aangenaam, maar wel vol te houden. Voor velen van hen is de motivatie vooral nog echt deel te kunnen nemen aan de strijd, die ze immers nog nauwelijks hebben kunnen voeren. Het doel van de vlucht is dan ook niet Nederland, maar Engeland, om van daaruit de strijd tegen de Duitsers voort te kunnen zetten.

In november 1940 wordt de groep Nederlanders verplaatst naar Juliusburg, een klein dorpje vlakbij de Poolse grens. Steinmetz: ‘Daar zaten we in een weeshuis, een voormalig nonnenklooster dat was omgebouwd om krijgsgevangen te herbergen.’ Volgens Steinmetz is hier de basis gelegd voor toekomstige ontsnappingen, het was een leerschool: ‘Hier leerden we essentiële zaken als sloten openmaken, documenten vervalsen, schildwachten omkopen, hoe kom je aan burgerkleren, aan Duits geld…’ Alles werd uitgeprobeerd en proefondervindelijk verbeterd. De officieren leerden dat ontsnappen het werk is van een team. De man die ontvlucht krijgt weliswaar de credits, maar achter een geslaagde ontsnapping zit een heel team. Vanuit Juliusburg weten twee KNIL-officieren met succes te ontsnappen. Het is deze ontsnapping die de achtergebleven groep in Colditz doet belanden.

De binnenplaats

Slot Colditz

Bad boys camp

Het dorpje Colditz ligt aan de Mulde, diep in Saksen, tussen Leipzig en Dresden. Tegenwoordig wonen er 5200 mensen en op marktdag staan op het plein een kraam met sokken, één met vlees en een groentestal. Geluncht wordt er in een rokerige café waarbij een schnitzel met aardappelen en spinazie zwaar favoriet zijn. De weinige toeristen die het dorp aandoen komen voor het middeleeuwse kasteel dat in 1044 boven op de berg is gebouwd. En waarvan het dreigende silhouet overal in het dorp te zien.

De naam Colditz is sinds de gelijknamige BBC-televisieserie uit de jaren zeventig synoniem voor een zwaar bewaakt krijgsgevangenenfort uit de Tweede Wereldoorlog. Het kasteel bestaat dan al eeuwen. Sinds het begin van de bouw, in 1014, is het fort het toneel geweest van beleggingen, bestormingen, overwinningen en nederlagen. Vanaf het begin van de negentiende eeuw is de functie die van gevangenis. Later werden geestelijke gestoorden hier weggestopt. Al snel na de machtsovername van Hitler in 1933 worden er maatschappij kritische elementen ondergebracht en wordt het een concentratiekamp, waar het er niet lichtzinnig aan toe gaat. Martelen, moord en zelfmoord zijn aan de orde van de dag.

Als Duitsland de oorlog begint verandert echter de functie van het slot. De Duitsers maken de eerste maanden van de oorlog vele duizenden krijgsgevangenen, die onder worden gebracht in ‘Stalags’ (Stammlager), kampen voor de troepen, en ‘Offlags’ (Offizierslager) voor de officieren. De meeste gevangen militairen zijn blij dat ze de oorlog zo op rustige wijze kunnen uitzitten, maar een kleine groep laat zich niet kooien en tracht keer op keer te onsnappen. Speciaal voor de hardnekkige ontsnappers wordt er gezocht naar een afgelegen, maximaal beveiligde locatie, een kamp van waaruit het onmogelijk is te ontsnappen. Daarvoor lijkt een middeleeuws kasteel ideaal. Zo wordt Colditz het kamp voor de onverbeterlijke ontsnappers, een ‘bad boys camp’, zoals de Engelsen het later trots zullen noemen. Er zitten Engelsen, Fransen, Polen, en, vanaf juli 1941, Nederlanders.

Op 24 juli 1941 komen de Nederlandse officieren vanuit Juliusburg, na twee dagen in de trein, aan op station Colditz. Geëscorteerd door een groot contingent Duitse bewakers loopt de groep in colonne door het dorp richting het kasteel. Omdat de vorige kampen bestonden uit barakken met prikkeldraad en wachtposten, komt het in eerste instantie niet in de Nederlanders op dat deze vesting hun eindbestemming is. ‘Daar gaan we toch niet naartoe’, denkt Kruimink nog als ze het kasteel zien liggen en pas als ze de heuvel opgaan blijkt hun vrees waarheid te worden. De officieren komen via een zwaarbewaakte toegangspoort binnenlopen, over een slotbrug naar de eerste buitenplaats waaraan de Duitse kwartieren en kantoren gevestigd zijn. Een volgende bewaakte poort geeft toegang tot de binnenste binnenplaats: een klein binnenhof van vijftig bij dertig meter met onregelmatige kinderhoofdjes, omringd door hoge muren met getraliede ramen waarachter de vertrekken van de gevangenen schuilgaan. De Nederlanders betrekken vier grote ruimtes op de eerste verdieping. Het is voor de komende twee jaar hun onderkomen. Boven hen wonen Poolse gevangenen, naast hen Engelsen. De Franse officieren wonen aan de andere kant. De eerste indruk is niet gunstig. Kruimink: ‘Vergeleken met onze vorige kampen was dit echt een jail, een gevangenis met dikke muren en tralies voor de ramen. En we dachten: we komen er nooit uit. Maar – met een bescheiden lachje - we kwamen er wel uit’.

Dagindeling

De ontsnappingsofficier

Kruimink: ‘We stonden om een uur of acht op en dan gingen we allemaal tegelijk ontbijten. Ersatz koffie, met wat brood en af en toe smeerkaas. We waren verdeeld over tien tafels en aan iedere tafel zat een man of tien, twaalf. Ik zat aan de marinetafel, waar alle marinemensen en een paar cadetten aan zaten.’ ‘Daarna was het appèl. Voor alle nationaliteiten geteld waren was je toch wel weer een uur verder en dan was je vrij en kon je gaan sporten.’ Steinmetz: ‘We speelden een woest soort rugby, stoolball. Je moest een medicijnbal tussen de poten van een stoel duwen terwijl de keeper, die op de stoel zat, dat moest verhinderen...’ De lunch bestond volgens Kruimink vaak uit in de schil gekookte aardappelen of uit aardappelsoep, ‘soms met een flintertje spek erin’. De karige maaltijden werden veelal aangevuld met voedsel dat familie vrienden en kennissen opstuurden uit Nederland. Bovendien kregen de gevangenen soms Rode Kruis-pakketten, waarin onder andere jam, gecondenseerde melk, chocolade en - heel belangrijk - sigaretten zaten. Oud-bewaker Alfred Heinrich herinnert zich de pakketten van de gevangen: ‘Ik weet dat ze allemaal lekkers kregen. Chocolade, koffie, sigaretten, van alles. En ik durf na zestig jaar wel te zeggen dat ik heel wat van die sigaretten heb gepikt als ik patrouilledienst had!’

De middag wordt vaak doorgebracht met lezen of studeren. Hageman grapt dat Colditz een verlenging was van zijn KMA-tijd, omdat alle leraren binnen de muren gewoon voortgaan met hun lessen. Steimetz: ‘Kruimink gaf ons gymnastiekles. Hij was oersterk en werd daarom Beer genoemd. Ik heb tot voor twee jaar Kruiminks oefeningen nog gedaan.’ Ook worden er internationale vriendschappen gesloten. Terwijl ze eindeloos rondjes wandelen over de kleine binnenplaats, leren ze elkaars taal. De Duitse bewakers bekijken de wandelingen van de gevangenen met het nodige wantrouwen. Heinrich: ‘Ze liepen hier rond als ze niet sportten en als het mooi weer was zaten ze ook in de zon, op de binnenplaats. Maar als ze rondliepen zeiden wij tegen elkaar: die zijn druk bezig zich in vorm te houden voor hun volgende ontsnapping.’ En daar hadden ze gelijk in. Na het avondappèl mogen de gevangenen hun kamers niet meer verlaten. Juist deze uren worden gebruikt om het arsenaal aan ontsnappingsmiddelen aan te vullen. Hageman: ‘We maakten valse kleren, vlochten touw van lakens en vervalsten papieren. We hadden altijd wel de een of andere bezigheid’.

De krijgsgevangenen hoeven geen dwangarbeid te verrichten. Het leven is geregeld en monotoon en de gevangen hebben zeeën van tijd. Tijd die wordt gebruikt om te zoeken naar een mogelijkheid om te ontsnappen, hoe miniem ook. Urenlang worden Duitse wachtposten begluurd om een patroon in hun doen en laten te ontdekken. Ieder hoekje wordt beklopt om te kijken of het hol is, elke tralie bevoeld. Het wordt een tweede natuur om een ontsnappingsmogelijkheid te zien en te herkennen. Zo verstoppen zich twee gevangen in een zandauto, die even stilstaat op de binnenplaats. Buiten het slot worden de twee meteen weer gepakt. Een Fransman verstopt zich in een strozak als deze worden omgewisseld. Een meester in het zien van zelfs de meest onmogelijke pogingen is Kapitein van den Heuvel. Hij wordt aangesteld als ‘ontsnappingsofficier’. Zijn taak is het om ervoor te zorgen dat alles in orde is om een ontsnappingspoging te laten slagen. Er moet geld zijn, routekaarten, vervalste papieren, eventuele vermommingen voor onderweg. Van den Heuvel overlegt bovendien met ontsnappingsofficieren van andere naties, om te ervoor te zorgen dat er niet gelijktijdig verschillende ontsnappingen worden gepland. Voor ontsnappingen geldt een steng regime: vliegers en mariniers krijgen voorrang, omdat zij nog iets voor de oorlogsvoering kunnen betekenen. Daarna pas komen landmacht en KNIL.

Appèl

Overdressed

 

Bij aankomst in Colditz dragen de Nederlanders nog steeds de uniformen waarin ze gearresteerd zijn en in vergelijking met de andere mogendheden, die tijdens gevechten gevangen zijn genomen zien ze er onberispelijk uit. De Nederlandse oudste officier Engles staat erop dat zijn officieren netjes op de appèlplaats komen. Steinmetz: ‘Engles zei: “op appèl commandeer ik jullie. Ik wil niet dat de Duitsers jullie commanderen en ik wil dat mijn orders netjes worden uitgevoerd, zoals het hoort. Je bent het aan je uniform verplicht om het netjes te houden en schoon te houden. Buiten de appèls kun je dragen wat je wilt, maar op appèl moeten mijn bevelen worden uitgevoerd. Dat is goed voor de moraal en de discipline, en dat is in de militaire wereld van groot belang”’.

Steinmetz: ‘De andere naties vonden het belachelijk, maar toen wij meer ontsnappingen hadden dan de andere naties gingen hun ogen open en toen dachten ze anders over ons. Toen vonden ze ons niet meer zo dom en accepteerden ze onze mening over het dragen van het uniform en de bijbehorende discipline.’ Maar Kruimink erkent, dat de Nederlanders na verloop van tijd toch wel doorhadden dat ze een beetje overdressed waren.

De correcte opstelling van de Nederlanders staat in schril contrast met de opstelling van Engelse en Franse officieren, die er juist alles aan om de Duitsers te sarren. Ze komen op appèl gekleed in pyjama’s, dragen hun bivakmutsen omgedraaid zodat hun gezichten niet zichtbaar zijn, of staan helemaal met de rug naar de Duitsers toe. Ook maken ze rare geluiden als ze geteld worden. Hageman: ‘voor ieder appèl maakten ze een opstootje’. Oud-bewaker Heinrich: ‘Het is voorgekomen dat er met stenen op ons werd geschoten en dat er waterbommen naar ons werden gegooid.’

Kruimink: ‘Het was een beetje kostschoolmentaliteit in onze ogen, maar dat was het helemaal niet. Het was met opzet en een overblijfsel uit de Eerste Wereldoorlog. De Engelsen hadden tijdens deze oorlog geleerd dat ze ten eerste moesten proberen te ontsnappen en ten tweede zoveel mogelijk bewakers aan zich te binden, en dat lukte want wij waren met 350 gevangen op 400 bewakers.’ De bewakers gedroegen zich tegenover de gevangen zeer correct en lieten zich zelden provoceren. Slechts enkele malen treiterden de Engelsen hen zo erg, dat de Wehrmacht-soldaten zich niet meer kon beheersen en een salvo boven de hoofden van de gevangen schoten. Heinrich heeft éénmaal zelf geschoten en éé maal het bevel tot vuren gegeven. Daarbij ketste een kogel af op een tralie en verwondde een Franse officier, die net de krant aan het lezen was, in de arm.

De bladerdoek

Ontsnappingen

Een bladerdoek, poppen en een ontsnappingsput

Buiten de muren van Colditz, in de diepte, ligt een klein parkje dat door de vroegere eigenaars als hertenkamp was ingericht. Tijdens de oorlog zijn de herten verdwenen en is het parkje omheind en zwaar bewaakt. Het wordt gebruikt om gevangenen te luchten, en is een onuitputtelijke bron van ideeën. Kruimink gaat zover om herfstbladeren op een laken te naaien en hieronder in een greppel te gaan liggen. Om te camoufleren dat er twee man zijn ontsnapt worden de poppen Max en Moritz gemaakt. Twee nagemaakte hoofden op een houten frame, die getooid met officierspet en donkere jas bij een snelle inspectie voor levende personen kunnen doorgaan. Kruimink: ‘Max en Moritz werden ontdekt bij het appèl bij terugkeer in het kamp. Ik lag daar met mijn armen strak naast me te wachten en opeens hoorde ik een hoop commando’s en dacht “o jee, het is mis”. Even later krijg ik een enorme schop in mijn zij en als ik het laken van me aftrek kijk ik in de muil van de gemeenste herdershond die ik ooit heb gezien. Dat was het helaas. Daarna kreeg ik een maand cel.’

Steinmetz weet wel via het parkje te ontsnappen. Hij herinnert zich: ‘Er was een klein putje in het hertenkamp, afgedekt met een deksel. Larive en ik glipten, onder afleiding van een potje rugby, in de put. Boven op elkaar. Er stond zeker een halve meter water in, dus we moesten vaak wisselen.’
Als afleidingsmanoeuvre knipt een andere gevangene opzichtig een gat in het prikkeldraad om de hertenkamp, met de bedoeling dat dit door de Duitsers bemerkt zou worden. Hij roept ‘Vlucht, vlucht, ik ben gepakt!’ en suggereert daarmee dat er al twee anderen door het gat zijn verdwenen. Terwijl die nog rustig verstopt zitten onder het putdeksel. De Duitsers trappen in de val en Larive en Steinmetz bereiken vijftig spannende uren later de Zwitserse grens. Vier maanden later komen ze aan in Engeland, waar ze worden verwelkomd door Koningin Wilhelmina.

Hun aankomst in Zwitserland wordt met een triomfantelijk briefkaartje gemeld aan de achterblijvers. Steinmetz en Larive vertrouwen erop dat de censors in Colditz geen Maleis spreken. In het kasteel heerst een euforische stemming, als duidelijk is dat de ontsnappers een zogenaamde ‘home run’ hebben gemaakt. Hageman: ‘Iedereen klopte ons op de schouders. De Fransen roepen Bravo Bravo, de Engelsen: ‘Bloody good show’. Iedereen schreeuwt door elkaar heen, het is een ongelooflijke saamhorigheid en dat sleept je wel door alle moeilijke tijden heen.’

Voor onderofficier Heinrich is Colditz een rustige plaatsing. Hij is in Rusland zwaar gewond geraakt aan zijn been en is door een granaatscherf blind aan zijn linkeroog. Hij is alleen nog geschikt als gevangenenbewaarder. Tijdens zijn training krijgt hij van een officier van de geheime dienst les in het ontdekken van ontsnappingspogingen en het putje van Steinmetz en het bladerlaken van Kruimink krijgen speciale aandacht. Helaas voor Heinrich blijft het niet bij deze twee pogingen. Andere Nederlanders maken Duitse uniformen na, of geven zich uit voor werklieden en proberen zo de Duitse wachtposten te misleiden. Ook wordt er vanuit de Nederlandse vertrekken op de eerste verdieping een tunnel gegraven. Via een schacht kunnen de fundamenten van het kasteel bereikt worden, maar het blijkt een zware opgave te zijn om hier doorheen te tunnelen. Na maanden hakken met geslepen bedspijlen zijn ze niet veel verder gekomen. Terwijl Hageman aan het graven is breken de Duitsers door de muur heen en grijpen hem.

De meest vermetele tunnelpoging is niet afkomstig van de Nederlanders maar komt op naam van de Fransen. In zes maanden tijd graven ze ruim veertig meter onder de fundamenten van het kasteel door. Ze worden gegrepen als ze nog maar veertien meter te gaan hebben. Intussen neemt het aantal Engelse en Amerikaanse militairen dat naar Colditz komt toe. In juni 1943 worden de Nederlanders daarom opnieuw verplaatst, nu naar een kamp in Polen: Stanislau. Het is dan al zeventien Nederlanders gelukt om buiten de muren van het kasteel te komen. Zes van hen slagen erin om geallieerd gebied te bereiken: opnieuw een homerun. Vanuit Stanislau ontsnappen er weer een paar, onder wie Kruimink. Het is zijn dertiende poging.

Hageman

Na de oorlog

Geen koninklijke onderscheiding

Kort na de oorlog buigt een parlementaire enquêtecommissie zich over de zaak van het erewoord. Zij spreekt haar waardering uit voor de beroepsofficieren die geweigerd hebben de ‘niet toelaatbare’ verklaring te tekenen. Eerder was al bekend hoe Wilhelmina erover dacht. In maart 1942 verklaarde de regering in Londen: ‘Hoewel hare majesteit zich hoogstderzelver oordeel over de motieven van de Nederlandse militairen, die de belofte aflegden om niet meer tegen Duitschland te strijden wenscht voor te behouden, kan namens Hare Majesteit grote waardering voor hun standpunt worden kenbaar gemaakt aan officieren die de belofte niet afgaven.’ Wilhelmina wil dat er na de oorlog aan de niet-tekenaars een koninklijke onderscheiding wordt gegeven en verzoekt Luitenant-generaal van Voorst tot Voorst (zelf een niet-tekenaar) dit te regelen.

Al snel blijkt echter dat het verzoek op bezwaren stuit. De naoorlogse top van de landmacht bestaat geheel uit militairen die getekend hebben, en ook bij de Marine is dit grotendeels het geval. Zij willen niet meewerken aan een dergelijke onderscheiding, omdat dit naar hun mening kritiek inhoudt op de handelwijze van de meerderheid van de officiers, die wel tekenden in 1940. Ondanks het voorstel om de Colditz-groep te eren met een betrekkelijke lage onderscheiding , namelijk de Erkentelijkheids medaille, blijven marine en landmacht zich verzetten. Alleen zij die met succes wisten te ontsnappen krijgen een medaille. Op 8 augustus 1945 schrijft Minister van Marine De Booy aan de bevelhebber van de zeestrijdkrachten: ‘De juiste opvatting zou zijn geweest om niet het erewoord te geven en dat de officieren die niet hun erewoord hebben gegeven juist hebben gehandeld. Zij behooren uit het besef dat zij juist hebben gehandeld hunne beloning te trekken.’

Voor Hageman is het niet meer van belang. Een klein teken van waardering in de vorm van een verzetsherdenkingskruis zou hij niet afslaan, maar hij is trots op de brief die hem in 1948 bereikte van de minister van de overzeese gebiedsdelen, Wassen, die zijn bijzondere waardering en tevredenheid doet uitgaan naar de wijze waarop Hageman zich in krijgsgevangenschap heeft onderscheiden door zijn flinke houding. En daar moet hij het mee doen.

Tekst en regie: Hein Hoffmann
Research: Laura van Hasselt

Bronnen

BEELD:
Foto’s in de uitzending getoond zijn deels afkomstig van de geïnterviewden, deels komen ze uit het Museum in Slot Colditz (zie links). De filmbeelden komen uit de televisieserie 'Colditz', in de jaren zeventig uitgezonden door de BBC en in Nederland aangekocht door de VARA. In de jaren tachtig is de serie herhaald.

ARCHIEF:
Marco Jacobs, van de 'Stichting Leven achter Prikkeldraad 1940-1945' verzamelt archief over Colditz en andere krijgsgevangenenkampen in WOII. Adres: Marco Jacobs
Burgerdijkstraat 30
2921 XC Krimpen a/d IJssel
Zie ook onder Links.

Literatuur

L. de Hartog, Officieren achter prikkeldraad. Nederlandse militairen in Duitse krijgsgevangenschap (Baarn 1983).
Konzentrationslager – Ein Appell an das Gewissen der Welt. Ein Buch der Greuel. Die Opfer klagen an (Karlsbad 1934).
C.D. van der Krap, Contra de swastika (Bussum 1981).
H. Larive, Vannacht varen de Hollanders (vertaald als: The man who came in from Colditz) (1950, 1975).

Vragen?

Heeft u vragen, ideeën of opmerkingen?

Neem dan contact op met de redactie: