Meer verdieping op het gebied van geschiedenis? Kijk op NPOFocus.nl
↳ Enter om te zoeken
10 september 2009

De broekriem aan: het huishoudboekje

Huishoudboekje
Bekijk Video
24 min

De zuinige jaren vijftig

De jaren na de oorlog werden getekend door wederopbouw maar ook door schaarste en armoede. Iedereen moest hard werken voor zijn geld; spaarzaamheid was geboden. Veel producten waren tot in de jaren vijftig nog op de bon. Koffie was in 1958 het laatste product dat weer vrij verkrijgbaar werd.

Na de oorlog was er een geboortegolf. De vrouw was in de jaren vijftig meestal voltijds huisvrouw en moeder. Zij was verantwoordelijk voor het geld. Het budget moest goed in de gaten gehouden worden, dat was niet altijd even gemakkelijk. In verschillende gezinnen werd er een huishoudboekje bijgehouden. Het was een handige manier om de inkomsten en uitgaven bij te houden. Was er een tekort of was een grote uitgave in het vooruitzicht dan kon nagegaan worden waarop bezuinigd kon worden.

De Nederlandse overheid maakte de burgers ook duidelijk dat soberheid en spaarzaamheid op zijn plaats was. De loonpolitiek was er op gericht de consumptie te ontmoedigen. Huisraad en kleding werden eindeloos opgelapt. Het huishouden kostte veel tijd: in 1955 besteedden vrouwen gemiddeld 62 uur per week aan huishoudelijk werk. Er waren in het begin van de jaren vijftig nog niet veel elektrische apparaten beschikbaar. Voor ‘luxe’ als een stofzuiger, een wasmachine of een koelkast was er niet of nauwelijks geld. Soms werd de wasmachine voor één dag in de week gehuurd. Ondertussen kwamen er wel steeds meer apparaten op de markt, en dat wekte de kooplust op. Ook werd het kopen op afbetaling geïntroduceerd. Het Gezinsbegrotingsinstituut, de voorloper van het huidige Nibud, leerde mensen zuinig te zijn.

<p> </p>

Het Gezinsbegrotingsinstituut

‘Al doe ik alles zelf, toch ben ik niet zo’n rashuisvrouw en nu weet ik niet of ’t aan mij ligt of aan ’t geld, dat ik er eigenlijk niet mee uitkom. Ben ik te royaal?‘ Aldus een wanhopige huisvrouw in haar brief met het verzoek haar budget eens door te laten rekenen door het G.B.I., het Gezinsbegrotings-instituut. Het instituut werd opgericht in 1951. Om een budgetadvies te krijgen moest een formulier ingevuld worden met daarop maandinkomen, uitgaven, reserves en huishoudgeld. Onder het motto: Een juiste gezinsbegroting wijst de weg naar gezinswelvaart gaf het GBI advies aan gezinnen die moeilijk rond konden komen.

Het GBI was een initiatief van de nutsspaarbanken en kwam er omdat mensen na de oorlog niet wisten hoe ze met het weinige geld om moesten gaan. Directrice mevrouw Wilzen-Bruins kwam uit een SDAP-nest. Zij had de narigheid in de gezinnen gezien tijdens de crisis van de jaren ’30. Daarom wilde ze mensen helpen met hun gezinsbudget. Het sociale aspect was erg belangrijk. Het instituut ontwikkelde lesmateriaal, gaf lezingen en cursussen in het land en dus individuele budgetadviezen aan mensen die daarom vroegen.

Diny Stevens werkte bij het Gezinsbegrotingsinstituut van 1952 tot 1965, zo’n 13 jaar dus. Ze was van huis uit huishoudlerares en werd aangesteld als hoofd Voorlichting. Ze herinnert zich de brochures die ze uitgaven: Het Huishoudboekje, Operatie Ping Ping en Annie en Jan Gaan Trouwen. Ze gingen als warme broodjes over de toonbank. Het werk bestond uit het geven van voorlichting aan verschillende groepen zoals huisvrouwen, vakbondsvrouwen, maatschappelijk werksters, de vrouwen van de NVVH, kadercursussen. ‘Ik leerde de mensen hoe ze een begroting moesten maken, en hoe ze een huishoudboekje moesten bijhouden’, vertelt ze in haar flat in de Haagse wijk Benoordenhout.

Ook Nel Hoogenboom werkte bij het GBI. ‘Het was wel iets heel nieuws in die tijd. Het was heel apart dat er zo openlijk over geld gesproken werd. Daarvoor was dat eigenlijk taboe, praten over het inkomen en schulden. Wij schudden de mensen wakker. Soms kwam je een groep tegen die daar een bepaalde weerstand tegen had, bijvoorbeeld in conservatief-christelijke kringen.’

Een ontwikkeling die bij veel gezinnen voor problemen zorgde was de overgang van week naar maandloon. Arbeiders kregen eerst per week uitbetaald, later per maand. ‘Ze kwamen niet uit met hun geld. Ze bewaarden hun geld letterlijk in allerlei potjes. Wij moesten ze van de potjes afkrijgen’, aldus Stevens.

<p> </p>

Budgetpoppen

Toen de industrie in Pernis opkwam, waren er niet genoeg arbeiders ter plekke. Er werden arbeiders uit Drenthe gehaald. Dat was voor hen natuurlijk een hele overgang, van het platteland naar de grote stad. Via het maatschappelijk werk werden de dames van het GBI erbij gehaald. ‘Deze voormalige landarbeiders hadden weinig idee van de kosten van een huishouding. Ze hadden voor het eerst een huis met een toilet binnen. Ze gingen ook allemaal groenten wecken maar dat deed je natuurlijk niet in de stad,’ herinnert Diny Stevens zich.

Sommige mensen wilden maar niet geloven dat er verschil is tussen kosten en uitgaven. Dat dingen minder waard worden, en dus kosten zijn zonder dat je iets uitgeeft, ging er bij sommigen niet in. Met de zogenaamde budgetpoppen maakten de dames van het GBI een en ander inzichtelijk. Ze spanden een flanellen doek over een bord, en prikten de poppen erop. De hoed was de vaste lasten, het gezicht en de buik het huishoudgeld, de benen waren de reserve. Als de hoed te zwaar was, dan viel die om. Zo probeerden ze het voorlichten visueel te maken.

In de loop der jaren kregen de Nederlandse gezinnen het steeds beter. Het zwaartepunt in de voorlichting kwam meer te liggen op de keuzes die men moest maken door de toenemende welvaart. Hoe moest je omgaan met het nieuwe aanbod van huishoudelijke apparaten en luxeartikelen? In 1955 hadden de meeste vrouwen nog geen wasmachine, ongeveer 20% bezat er een. In 1957 bezit 31% een wasmachine. In 1962 is dat 58%, en in 1964 maar liefst 83% van de huishoudens. Naar verhouding waren de huishoudelijke apparaten veel duurder dan nu: een wasmachine kostte in de jaren ‘50 al gauw twee maandsalarissen. Stevens: ‘Er kwam steeds meer van alles. Meer geld, loonsverhogingen, meer ruimte in het budget, meer aanbod van spullen, kopen op afbetaling. Het werk ging steeds meer de sociale kant op: Wat kost een wasmachine enzovoort.’

Bij de voormalige volkshogeschool Ons Erf in Berg en Dal ontmoeten de dames elkaar weer voor onze uitzending. Hier hebben ze menig cursus gegeven. Ze hebben de tijd bij het GBI allebei ervaren als een interessante, leuke tijd. Ze kwamen in aanraking met mensen van allerlei verschillende gezindten, daar leerde je van. En ze reisden door het hele land. Mooi toch?

<p> Budgetpop GBI</p>
De Budgetpop van het GBI

Blinde vinken

De dames van het GBI hebben heel wat voorlichting en budgetadviezen gegeven in die jaren. Maar hoe was het in de praktijk? Hoe probeerde een doorsnee gezin rond te komen? De Hilversumse Annie Eype hield in de beginjaren van haar huwelijk een huishoudboekje bij. ‘Er was nergens geld voor. Om wat bij te verdienen zat ik ’s nachts wel eens te werken achter de naaimachine om kussenslopen te naaien voor een paar centen. Dat leidde tot klachten van de onderburen die de politie op ons afstuurde.’ In de beginjaren woonden ze in bij mensen. Op een gegeven moment werden er flats gebouwd in de Minckelersstraat. Alleen er was een voorwaarde: je moest twee kinderen hebben. ‘We zijn meteen ‘op karwei’ gegaan,’ lacht Annie.

Het gezin van de Rotterdamse Greetje van der Plaat had het ook niet breed in de jaren ‘50. ‘We aten twee keer in de week vlees en dan het goedkoopste dat ik kon krijgen: gehakt of lever. Of ik maakte blinde vinken, en lengde het gehakt dan aan met veel broodkruim of beschuit. Dan leek het nog wat.’ Ze hadden geen koelkast. In 1954 verhuisden ze naar een flat en toen zijn ze een koelkast gaan huren. ‘De eerste acht jaar van ons huwelijk was ik wel eens mismoedig. We hadden vier kleine kinderen en we hadden het wel heel krap.’

De ouders van de Amsterdamse Nelly en Cees Goebertus hielden jarenlang nauwgezet een huishoudboekje bij. ‘Ik zie hem nog zitten aan de eettafel. Elke avond noteerde mijn vader alle bedragen van die dag. Als het aan het eind niet helemaal uitkwam schreef hij: JMW. Dat was Joost Mag het Weten, maar hij heette ook echt Joost,’ vertelt Nelly. Op 24 april 1956 noteerde hij: melk ƒ 0,84; bakker ƒ 1,40; vestje ƒ 16,75; tram ƒ 0,65; enveloppen ƒ 0,75; postzegels ƒ 1,40; groente ƒ 1,75. Het maandsalaris was ƒ 460,03, de huur ƒ 64,15.

<p> </p>

Kopen op afbetaling taboe

In de zuinige jaren werd, naast het huishoudboekje, ook spaarzaam omgesprongen met kleding: het werd eindeloos versteld, gaten werden gestopt en kleding werd doorgegeven. Greetje: ‘Het Jaeger ondergoed van mijn vader vermaakte ik tot kinderhemdjes. Oude kleertjes maakte je nieuw. Ik leende een handnaaimachine van een tante.’ Nelly: ‘Om te korte rokken of mouwen te verlengen werd er een strook opgezet. Sokken werden gestopt, en zodra je oud genoeg was moest je helpen. Kleding kreeg je ook wel van tantes, dat viel niet altijd in de smaak.’

De man van Annie kreeg betaald per week, in een zakje. Hij werkte als metaalarbeider. Op een gegeven moment, begin jaren ’60, kregen ze het loon per giro. In het begin werd de huur nog opgehaald aan de deur, elke week. De meeste leveranciers kwamen aan huis: groenteman, slager en bakker. Dat was wel nodig, want een koelkast bezaten de meeste gezinnen nog niet. De melk werd opgekookt in een pan. Bederfelijke etenswaren werden in de balkonkast bewaard. Onderin de balkonkast lagen de kolen.
‘Er werd in die tijd niet over geld gepraat. Arm zijn was iets om je voor te schamen. Er werd ook niet gepraat over kopen op afbetaling, alhoewel wel meer mensen dat deden in die tijd’, vertelt Annie. Ze waren met een schuld begonnen: ze hadden meubels gekocht op afbetaling om de flat te meubileren. ‘Je had toen nog niet dat je de afdankertjes van je familie kreeg. Die hadden ze zelf nodig.’ Ze moesten de schuld per maand afbetalen. De begintijd vond ze het zwaarst, toen zaten ze echt krap.

Na de eerste loongolf van 1954 ging het in Nederland steeds beter. Zo ook in deze gezinnen. Greetje: ‘Eind jaren ‘50 kreeg mijn man opslag dus toen werd het wat royaler.’ In 1963 kochten ze hun eerste auto en televisie. Annie’s man is in 1960 als taxichauffeur gaan werken en dat leverde een beter inkomen op. De ouders van Nelly en Cees kregen TV toen alle kinderen het huis uit waren, in 1965.

<p> </p>

Van alle tijden

In de jaren ’60 was het ergste gesappel voorbij. Vanaf 1963 was sprake van een ware loonexplosie. De lonen stegen in dat jaar met 9 procent, het jaar daarop met 15 procent en in 1965 nog eens met bijna elf procent. Parallel aan de welvaart nam de consumptie toe. Steeds meer van de huishoudelijke taken werden overgenomen door apparatuur. Zo werd de huisvrouw enigszins bevrijdt van haar dagelijkse geploeter. Meer vrouwen gingen buitenshuis werken en verruimden zo het gezinsinkomen.

Dit voorjaar verscheen het bericht: “Huishoudboekje terug van weggeweest.” Banken introduceerden elektronische versies van het aloude opschrijfboekje omdat 1 op de 5 huishoudens niet uitkomt met het maandelijkse budget. Door de crisis wordt dat aantal de komende tijd naar verwachting groter. Geldzorgen zijn van alle tijden.

Tekst en research: Hannah Dogger, Yfke Nijland
Regie: Marcel Goedhart

<p> Online huishoudboekje</p>
Een online huishoudboekje
Geïnterviewden Bronnen
  • Annie Eype
    Annie Eype
  • Greetje van der Plaat
    Greetje van der Plaat
  • Mevr. Hoogenboom-Onderdijk
    Mevr. Hoogenboom-Onderdijk
  • Mevr. Stevens-Kroes
    Mevr. Stevens-Kroes
  • Nelly en Cees Goebertus
    Nelly en Cees Goebertus
  • Het Geluk vd huisvrouw

    Het Geluk vd huisvrouw

  • Leven op stand

    Leven op stand

Vragen?

Heeft u vragen, ideeën of opmerkingen?

Neem dan contact op met de redactie: